4 augustus 2021 - 9 min. lezen
1 reacties 1

Binnen ons continent, Europa, hebben we te maken met verschillende soorten klimaten. Een aantal factoren bepalen namelijk welke klimatologische omstandigheden er op een bepaalde plaats heersen. Op sommige Europese plaatsen is er zo bijvoorbeeld een droog en relatief warm klimaat, op andere plaatsen is dat dan weer eerder koud en nat. Maar welke verschillende soorten klimaten kennen we nu in Europa? En hoe komt het juist dat het klimaat verschilt op de ene plek tegenover de andere? Hoe kunnen we ze benoemen en wat stellen ze voor? In onderstaande blog gaan we iets dieper in op bovengenoemde vragen.

Deelnemen aan discussie? Ben je geïnteresseerd om deel te nemen als weeramateur of liefhebber van het weer aan het weerforum? Onderaan dit artikel krijg je bliksemsnel & gratis toegang tot alle reacties. Je kan ook je eigen weerfoto’s opladen.

Klimaatclassificatie van Köppen

Welke factoren bepalen een klimaat?

Er zijn verschillende aspecten die het klimaat op een bepaalde plaats kunnen beïnvloeden, waaronder:

  • De latitude (de breedteligging op Aarde), die de intensiteit van de inkomende zonne-straling bepaalt
  • De altitude (de hoogteligging tegenover het zee-oppervlak en de invloed van bergketens)
  • De continentaliteit en verdeling van land- en watermassa’s (de mate waarin de zee invloed heeft op het klimaat)
  • De oceaan- en atmosfeerstromingen (bijvoorbeeld de dominante positie van hoge- en lagedrukgebieden)
  • Het albedo (de fractie van de inkomende zonne-instraling die terug wordt gereflecteerd)

Indicatoren en classificatiesysteem

Welke verschillende soorten klimaten kennen we nu in Europa? Om de verschillende klimaatsoorten op Aarde te classificeren kijken wetenschappers vaak naar de klimaatclassificatie van Köppen. Wladimir Köppen, een Russische wetenschapper, onderzocht begin 20e eeuw waarom klimaten zo sterk kunnen verschillen op verschillende plaatsen op onze planeet. Het meest belangrijke hulpmiddel dat hij daarvoor gebruikte was vegetatie (planten en bomen).

Köppen merkte namelijk snel op dat de aanwezigheid en het type vegetatie dat in een bepaalde regio werd waargenomen een belangrijke indicator is van het klimaat waarmee die regio te maken had. Hij benoemde elk klimaat door een combinatie te gebruiken van 3 of 4 letters.

mediterraan
Het al dan niet voorkomen van bepaalde soorten vegetatie was een belangrijke indicator voor klimaatclassificatie.

Lettercombinatie als leidraad

Elk klimaat kon dus geclassificeerd worden door een combinatie van letters. Allereerst deelde hij zo het klimaat op onze planeet op in 5 grote ondersoorten, waarbij elk hoofdklimaat een aparte letter kreeg:

  • A-klimaten: tropische klimaten
  • B-klimaten: droge klimaten
  • C-klimaten: gematigde (zee)klimaten
  • D-klimaten: landklimaten
  • E-klimaten: poolklimaten

Deze letter vormde dan de eerste letter van de klimaatclassificatie. Nadat elk klimaat zo’n een hoofdletter had gekregen, konden nog onderverdelingen gemaakt worden op basis van:

  • De neerslagverdeling (2e letter)
  • Het temperatuurverschil tussen de warmste en koudste maand (3e letter)
  • Het eventueel voorkomen van een droog seizoen (eventuele 4e letter)

Op die manier krijgt elk type klimaat een combinatie van letters voorgeschoteld waarmee het geclassificeerd kan worden binnen het systeem van Köppen. Op deze manier zijn er zo’n 29 verschillende klimaten te herkennen op onze planeet. Een voorbeeldje is bijvoorbeeld “CSa”, wat een warm mediterraan klimaat is. We vinden dit met name terug in onder andere delen van Spanje.

Klimaatclassificatie in Europa

De Benelux

Elk type klimaat kon zo worden geclassificeerd met 3 of 4 letters. Maar welke verschillende soorten klimaten kennen we nu dan in Europa? Bij ons in de Benelux wordt het klimaat bijvoorbeeld grotendeels geclassificeerd als “Cfb”. Het wordt ook wel omschreven als “gematigd (zee)klimaat” en houdt het volgende in:

  • C: Een gematigd (zee)klimaat. In deze gebieden treedt natuurlijke, verspreide en biodiverse vegetatiegroei op in de vorm van planten, alsook bomen die zich groeperen in bossen. Typisch zijn bijvoorbeeld de op grote schaal aanwezige loofbossen. Er is een grote invloed van de zee en de continentaliteit is over het algemeen laag, met lagere temperatuurextremen tussen winter en zomer.
  • f: Een klimaat zonder droog seizoen. Er is dan ook geen significant neerslagverschil tussen de verschillende seizoenen.
  • b: Een klimaat met een gematigde (milde) zomer en een koele (maar niet koude) winter. De koudste maand heeft een gemiddelde temperatuur boven 0°C en alle maanden hebben een gemiddelde temperaturen onder 22°C. Ten minste vier maanden hebben daarbij ook een gemiddelde temperatuur boven de 10°C. De invloed van de zee dempt de amplitude van de temperatuurschommelingen.
Het klimaat in de Benelux wordt grotendeels geclassificeerd als “Cfb” of een gematigd (zee)klimaat.

De gemiddelde temperatuur ligt in Ukkel en De Bilt bijvoorbeeld rond 10 à 11 graden en er valt gemiddeld zo’n 700-900 mm neerslag gedurende 150 tot 200 dagen per jaar. De zon schijnt gemiddeld 1300 tot 1800 uren per jaar. Door het temperende effect van de zee is het verschil tussen de extremen in zomer en winter niet zo heel groot tegenover de landklimaten. Het typische Belgische en Hollandse weer kenmerkt zich dan ook door wisselvallig weer met nu en dan regen. Dit komt door de dominantie van luchtaanvoer vanaf het zuidwesten, door de typische positionering van het Azorenhoog en het IJslandlaag.

Centraal- en Oost-Europa

In een groot deel van Centraal- en Oost-Europa is het klimaat anders. Hier wordt het klimaat namelijk geclassificeerd als “Dfb”. Het wordt ook wel omschreven als “gematigd landklimaat” en houdt het volgende in:

  • D: Een gematigd landklimaat. In deze gebieden treedt natuurlijke, verspreide en biodiverse vegetatiegroei op in de vorm van planten, alsook bomen die zich groeperen in bossen. Typisch zijn ook hier bijvoorbeeld de op grote schaal aanwezige loofbossen. In tegenstelling tot bij ons is er echter geen grote invloed van de zee en de continentaliteit is over het algemeen hoog, met grotere temperatuurextremen tussen winter en zomer.
  • f: Een klimaat zonder droog seizoen. Er is ook hier geen significant neerslagverschil tussen de seizoenen.
  • b: Een klimaat met een relatief koele winter en relatief warme zomer. De warmste maand is echter steeds koeler dan gemiddeld 22°C.

De gemiddelde temperatuur ligt in Kiev (Oekraïne) bijvoorbeeld rond 8 graden en er valt gemiddeld zo’n 600-800 mm neerslag per jaar. Door de grote contintentaliteit is het verschil tussen de extremen in zomer en winter groter tegenover de gematigde klimaten. In de winter kan het stevig vriezen en sneeuwen, terwijl het in de zomer geregeld tropisch warm wordt.

Het klimaat in het centrale en oostelijke deel van Europa wordt grotendeels geclassificeerd als “Dfb” of een gematigd landklimaat.

Noord-Europa

In een Noord-Europa wordt het klimaat geclassificeerd als “Dfc”. Het wordt ook wel omschreven als “koel landklimaat” of “subarctisch klimaat” en houdt het volgende in:

  • D: Een gematigd landklimaat. Er is geen grote invloed van de zee en de continentaliteit is over het algemeen hoog, met grotere temperatuurextremen tussen winter en zomer. De vegetatie kent over het algemeen weinig diversiteit omdat alleen zeer vorstbestendige soorten de lange winters kunnen verdragen en van de korte zomers kunnen profiteren. Over het algemeen vindt men hier “boreale bossen” met typische aanwezigheid van varens, dennen en sparren.
  • f: Een klimaat zonder droog seizoen. Er is geen significant neerslagverschil tussen de seizoenen en elke maand valt zowat een gelijke hoeveelheid neerslag.
  • c: Een koel klimaat waarbij tijdens minder dan vier maanden per jaar de gemiddelde maandtemperatuur hoger dan 10°C is. Over het algemeen zijn er zeer koude en lange winters en korte maar relatief warme zomers.

De gemiddelde temperatuur ligt in Sodankylä (Finland) bijvoorbeeld rond 0 graden en er valt gemiddeld zo’n 400-600 mm neerslag per jaar. Door de hoge latitude (lage inkomende zonne-straling) en de grote contintentaliteit is het verschil tussen de extremen in zomer en winter groter tegenover de gematigde klimaten. Het klimaat is over het algemeen koel, maar tijdens de zomer kan het er op sommige dagen wel tropisch warm worden.

Het klimaat in het noordelijke deel van Europa wordt grotendeels geclassificeerd als “Dfc” of een subarctisch klimaat.

Zuid-Europa

In een Noord-Europa wordt het klimaat geclassificeerd als “Csa” of “Csb”. Het wordt ook wel omschreven als “mediterraans klimaat” en houdt het volgende in:

  • C: Een gematigd landklimaat. Er is een grote invloed van de zee en de continentaliteit is over het algemeen laag, met lagere temperatuurextremen tussen winter en zomer. Veel planten hebben taaie bladeren die weinig water afgeven en hebben zich aangepast aan perioden van lange droogtes, de zogenaamde “sclerofylle vegetatie”. Een voorbeeld daarvan is de olijfboom.
  • s: Een klimaat met natte winters en droge zomers, met andere woorden: de droogste maand in de zomer heeft een gemiddelde maandneerslag van minder dan 30 mm en de natste maand in de winter heeft ten minste gemiddeld driemaal zoveel neerslag als de droogste maand in de zomer.
  • a: Een warm klimaat, waarbij de gemiddelde temperatuur in de warmste maand hoger is dan 22°C.
  • b: Een gematigd klimaat, waarbij de warmste maand is koeler dan 22°C.

De gemiddelde temperatuur ligt in Madrid (Spanje) bijvoorbeeld rond 15 graden en er valt gemiddeld zo’n 300-500 mm neerslag per jaar. Door de lage latitude (meer intense inkomende zonne-straling) is het klimaat warmer dan ons klimaat, en over het algemeen blijft het ook tijdens de winters relatief warm. In de zomers zijn temperaturen boven 30 of 40 graden niet uitzonderlijk.

Het klimaat in het noordelijke deel van Europa wordt grotendeels geclassificeerd als “Csa/b” of een mediterraans klimaat.

Gebergten en boven de poolcirkel

In een gebergten en boven de poolcirkel wordt het klimaat geclassificeerd als “ET”. Het wordt ook wel omschreven als “poolklimaat” of “toendraklimaat” en houdt het volgende in:

  • E: Een poolklimaat. De gemiddelde temperatuur van de warmste maand is niet hoger dan 10°C en dus is het gedurende het hele jaar het iedere maand kouder dan 10°C. De meest voorkomende plantensoort zijn de mossen. Omdat er amper of geen bomen aanwezig zijn noemt men deze regio ook wel de zogenaamde “toendra”.
  • T: Een toendraklimaat. In de warmste maand ligt de temperatuur tussen de 0°C en 10°C.

Enkele voorbeelden zijn Nuuk (de hoofdstad van Groenland), de Alpen en de gebergten in Noorwegen. Deze plaatsen kennen relatief koude temperaturen door ofwel hun hoge latitude, een hoge altitude (hoogteligging) of een combinatie van beide. Bovendien zorgt het hoge albedo van sneeuw en ijs voor extra terugkaatsing van inkomende zonne-straling.

Conclusie

Welke verschillende soorten klimaten kennen we nu in Europa? Er zijn verschillende factoren die bepalen welk klimaat op een bepaalde plaats heerst. Onder andere de latitude, hoogteligging en de dominante atmosfeercirculaties zijn hiervoor belangrijk. Grotendeels kunnen we zo volgende aspacten samenvatten wat betreft de klimaten die voorkomen in Europa:

  • Noord-Europa: subarctisch klimaat met koude winters en milde zomers
  • Centraal- en Oost-Europa: continentaal klimaat met koele winters en warme zomers
  • West-Europa: gematigd zeeklimaat met milde winters en zomers
  • Zuid-Europa: mediterraans klimaat met warme, droge zomers en natte winters
  • Gebergten: poolklimaten

Binnen eenzelfde continent kan het klimaat dus duidelijk sterk verschillen van plaats tot plaats! Hieronder wordt ter afsluiting nog eens op een kaart weergegeven welke verschillende soorten klimaten we kennen in Europa.

Verschillende klimaten in Europa.

Yoni

Door Yoni

Afgestudeerd geograaf aan de KULeuven en doctorandus binnen klimatologie/glaciologie aan de VUBrussel. Binnen NoodweerBenelux ben ik vooral bezig met het schrijven van artikels en het programmeren van tools om bepaalde weerelementen te voorspellen.


Verder lezen

Alles bekijken
79 Prognose

Herfstweer met regen en wind

1 dag geleden - 3 min. lezen