Klimaat van de Alpen: fascinerend met veel variëteit

De Alpen zijn al sinds vele jaren een populaire bestemming voor actieve vakantiegangers. ’s Winters vormt de wintersport veruit de belangrijkste toeristische attractie die de Alpen te bieden hebben en in het zomerseizoen zijn paragliden en raften in trek. Voor dergelijke buitenactiviteiten is het weer op locatie van groot belang. In dat opzicht bieden de Alpen voor ieder wat wils, want het klimaat van de Alpen varieert sterk van plaats tot plaats. Laten we eens een blik werpen op dit gebergte.

Klimaat van de Alpen bepaald door hoogte en uitgestrektheid

De Alpen zijn een hooggebergte in het midden van Europa dat zich uitstrekt vanaf het zuiden van Frankrijk tot aan het oosten van Oostenrijk. Het hoogste punt is de Mont Blanc met 4.809 meter. Vanaf het meest zuidwestelijke punt (nabij Avignon) tot aan het meest noordoostelijke punt (nabij Wenen) bedraagt de afstand zo’n 900 kilometer. De hoogteverschillen en de enorme uitgestrektheid dragen bij aan de klimatologische verschillen. Hoe hoger in de bergen, des te kouder. Verder is het noordelijke deel van de Alpen aanzienlijk kouder dan het zuidelijke deel.

klimaat van de alpen

Klimaat van de Alpen: jaarlijkse neerslag. De noordrand en de zuidrand vangen de meeste neerslag (stuwing). Het gebied ertussenin is vrij droog. Ook de Franse Alpen zijn relatief droog. (ETH Zürich)

De dalen (laagland, tot circa 800 meter)

De laagst gelegen dalen van de Alpen kennen een gematigd zeeklimaat met relatief geringe jaarlijkse temperatuurschommelingen en gelijkmatig verdeelde neerslag gedurende het hele jaar. Toch is er wel een regenpiek te noteren in de zomermaanden. De neerslag valt dan namelijk in de vorm van zware buien die veel regen in korte tijd achterlaten. In de winter kan het wel langdurig sneeuwen/regenen, maar is de totale neerslaghoeveelheid veel kleiner van omvang. De vegetatie in deze gebieden lijkt veel op die van België en Nederland: je vindt er loofbossen afgewisseld met weilanden. Het landschap is over het algemeen halfopen.

zeeklimaat

De dalen van de Alpen kennen een gematigd zeeklimaat.

De hellingen (montane en subalpiene zone, 800 tot 2.000 meter)

Vanaf circa 800 meter hoogte ligt de gemiddelde temperatuur op veel plaatsen gedurende de koudste wintermaand lager dan -3°C. Volgens het klimaatsysteem van Köppen is in deze gebieden sprake van een landklimaat. We komen hier in de montane zone. De neerslag valt er ook weer redelijk verspreid over het jaar (met een uitschieter in de zomer), maar de lage wintertemperaturen maken het onmogelijk dat hier loofbomen kunnen groeien. Vandaar dat je hier uitgestrekte naaldwouden vindt. De begroeiing is veel dichter dan in het dal. In de subalpiene zone neemt de vegetatie echter alweer geleidelijk af. Dat komt doordat het hier te koud is voor veel planten. De boomdichtheid is daardoor veel lager dan in de montane zone. Laag struikgewas zoals de Alpenroos en Edelweiss gedijt hier wel goed.

landklimaat

De berghellingen kennen uitgestrekte dennenwouden.

De toppen (alpiene en nivale zone, hoger dan 2.000 meter)

Ga je nog hoger de bergen in, dan passeer je de boomgrens en kom je in de alpiene zone. Hier wordt het klimaat van de Alpen echt bar. De winters zijn lang en extreem koud. Alleen in de zomermaanden komt het kwik overdag rond de 10°C uit. Er heerst een hooggebergteklimaat, wat in het systeem van Köppen aangeduid wordt als E-klimaat. In deze zone groeien geen bomen meer, maar enkel nog grassen en zeer lage struiken. Helemaal boven de Alpentoppen groeien zelfs geen grassen meer. Vanaf zo’n 3.000 meter passeer je de sneeuwgrens en kom je in de hoogst gelegen zone terecht: de nivale zone. Dit is het gebied van de ‘eeuwige sneeuw’. De temperatuur ligt hier zelfs hartje zomer dichtbij het vriespunt en sneeuw blijft dan ook grotendeels liggen.

alpiene zone

De alpiene zone ligt boven de boomgrens.

eeuwige sneeuw

Eeuwige sneeuw in de nivale zone.

Het mediterrane deel (het meest zuidwestelijke deel, tot circa 800 meter)

Een uitzondering op het stelregels van het klimaat van de Alpen is het Zuid-Franse deel, in het bijzonder de departementen Alpes-de-Haute-Provence, Alpes-Maritimes, Vaucluse en Var. In plaats van een gebruikelijk zeeklimaat (Cf volgens Köppen) heerst hier een mediterraan klimaat (Cs). De neerslag is in deze gebieden geconcentreerd in de wintermaanden. De zomers zijn daarentegen gortdroog en erg warm. Behalve loofbomen groeien hier ook tal van mediterrane naaldbomen zoals pijnbomen en coniferen/cipressen. Ook hardbladige vegetatie (olijfbomen, garrigue) is er veel te vinden. Het landschap is veel opener dan in de gebieden met een zeeklimaat en de begroeiing is ook lager. Pal aan de Middellandse Zeekust (Var en Alpes-Maritimes) is het klimaat nog milder en groeien palmbomen, citroenbomen, bougainville en oleanders.

mediterraan

Mediterrane vegetatie in het zuidwestelijke deel van de Alpen

Bewolking: dagelijkse gang in het zomerhalfjaar

Wat veel mensen bekend voorkomt is dat het klimaat van de Alpen sterk kan veranderen binnen een paar uur. Vaak beginnen de ochtenden zonnig, waarna er stapelwolken ontstaan en er tegen het einde van de middag een fikse regen- of onweersbui kan vallen. Dit is een patroon dat eenvoudig te verklaren is. ’s Nachts koelen de bergen sneller af dan de dalen. Er ontstaat een hogedrukgebied hogerop de berg, vanwaar de lucht langs de hellingen met een dalende beweging wegstroomt. Dit is de bergwind. De atmosfeer is zeer stabiel en buien van de dag ervoor zullen in de nacht daarom altijd uitdoven.

Vanaf het moment dat de zon opkomt wordt de atmosfeer onstabiel: de bergen worden nu sterker verwarmd dan de dalen. Er ontstaat nu een lagedrukgebied op de berg, waar luchtstromen uit het dal met een opstijgende beweging naartoe stromen. Dit is een dalwind. Onderweg naar boven koelt de lucht af en deze condenseert (vorming van stapelwolken). Tegen het einde van de middag is het lagedrukgebied op de bergtop het actiefst. Dan zijn de stijgstromen het sterkst en zullen zich heel makkelijk buien vormen. ’s Avonds stabiliseert de atmosfeer wederom en boven de buien uit.

Omdat de lucht overdag via de helling omhoog kruipt richting de top, zijn de berghellingen gedurende het zomerhalfjaar de meest bewolkte gebieden van de Alpen. Het laagland, waar geen stijgstromen plaatsvinden, is het zonnigst.

berg dal

De dagelijkse gang in de bergen. Overdag is er sprake van een dalwind, ’s nachts een bergwind. (Geophile)

Bewolking: nevel en mist in het winterhalfjaar

In het winterhalfjaar is dit precies andersom. Vooral bij langdurige hogedruksituaties kunnen de dalen te maken krijgen met langdurige nevel en mist, terwijl de hellingen en de toppen in de zon baden. Dat komt doordat de dalen ’s winters in de grenslaag (koude afgeschermde plaklaag dichtbij zeeniveau) liggen. Hoe meer uitstraling onder een hogedrukgebied, des te kouder deze plaklaag wordt. De bovenste grens van de grenslaag heet een inversie. Boven deze inversie bevindt zich tijdens een hogedruksituatie altijd warme en droge lucht. Het gevolg is dat deze warme luchtlaag als het ware een ‘deksel op de pan’ vormt voor de koude lucht eronder. Het vocht in de koude grenslaag kan niet opstijgen en condenseert tot waterdamp. Er ontstaat hardnekkige nevel of mist in de dalen, terwijl het hoger op de berg kraakhelder is.

inversie

De werking van een inversie in het winterhalfjaar. (Utah Department of Environmental Quality)

Winden

Het klimaat in de Alpen blijft uiteraard niet alleen beperkt tot temperatuur en bewolking. Ook lokale winden (zoals Föhn en Mistral) spelen een belangrijke rol in de weerbeleving tijdens een vakantie in het Alpengebied. Om hier meer over te weten te komen, lees je dit artikel.


Lees ook eens: