0

Het weer is een zeer belangrijke factor voor de luchtvaart. Dat geldt niet enkel voor grote luchtvaartuigen (passagiersvliegtuigen), maar evenzeer ook voor de kleine luchtvaart. Piloten van o.m. sportvliegtuigen, zweefvliegtuigen, warme luchtballonnen etc. volgen daarom de weersverwachtingen met argusogen op. Enkel in optimale omstandigheden kan er gevlogen worden en bij risicovol weer blijft men aan grond. Waar wordt er zoal rekening mee gehouden? En waarom houden ballonvaarders rekening met andere factoren dan zweefvliegers?

Deelnemen aan discussie? Ben je geïnteresseerd om deel te nemen als weeramateur of liefhebber van het weer aan het weerforum? Onderaan dit artikel krijg je bliksemsnel & gratis toegang tot alle reacties. Je kan ook je eigen weerfoto’s uploaden.

Wat is de “kleine luchtvaart”?

Onder de “kleine luchtvaart” vallen alle vormen van luchtvaart verschillend van de grote lijnvluchten met vracht en passagiers. Zulke vluchten vinden plaats op kruishoogte langsheen de grens tussen de troposfeer en stratosfeer, rond of boven zo’n 10 kilometer hoogte. Kleine luchtvaartuigen vliegen doorgaans lager, in de onderste lagen van de troposfeer (zo’n 0-3 kilometer). Het omvat o.m. sportvliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, warme luchtballonnen,… Voor alle vormen van de luchtvaart vormen meteorologische omstandigheden een zeer belangrijke randvoorwaarde.

Het weer en de kleine luchtvaart

Zoals eerder aangehaald is de meteorologie zeer belangrijk voor alle vormen van luchtvaart. Binnen de kleine luchtvaart heeft elke tak ook nog eens z’n specifieke vereisten i.v.m. de weersomstandigheden. We zoomen even wat dieper in op de warme luchtballonnen en zweefvliegtuigen.

Zowel voor zweefvliegers als voor warme luchtballonnen is de algemene weersituatie van groot belang. Zo zal er steeds gekeken worden naar de algemene weercondities, en zal er enkel gevlogen worden bij gunstige omstandigheden (“mooi weer”). Voor beide takken van de luchtvaart zijn er echter specifieke vereisten m.b.t. het weer en de best optimale omstandigheden.

Zweefvliegen vs. ballonvaren

Zowel zweefvliegtuigen als warme luchtballonnen zie je meestal verschijnen op mooie dagen in de zomer, het voorjaar of najaar. Bij slecht weer en zeker bij regen of onweer zal je hen niet in de lucht zien. Zweefvliegtuigen zie je vooral overdag, luchtballonnen vooral ‘s avonds en ‘s ochtends. En dat heeft ook zo zijn redenen. Om te begrijpen waarom dit verschil er is, dienen we eerst te bekijken hoe beide luchtvaartuigen er in slagen om te vliegen.

Zweefvliegtuigen

Zweefvliegtuigen worden in de lucht getrokken via een lier of via een trekvliegtuig. Eenmaal in de lucht worden ze losgelaten en drijven ze voort in de lucht. Er komt daarbij geen motor aan te pas. Binnen het zweefvliegen is het dan ook de kunst om zo lang mogelijk in de lucht te blijven. Daarvoor maakt men gebruik van “thermiek”.

Een zweefvliegtuig onder de stapelwolken.

Wat is thermiek?

Thermiek zijn opwaartse luchtbewegingen van “luchtbellen” die ontstaan door opwarming van de bodem. De zon warmt overdag het aardoppervlak op en op die manier ontstaat er een warmere luchtlaag net boven de bodem. De laag groeit in hoogte naarmate de dag vordert (we spreken ook wel over de convectieve meng-laag).

Onder invloed van de wind kunnen er in deze warme luchtlaag verstoringen optreden, waardoor er op die manier bellen van warme lucht kunnen ontstaan die omhoog stijgen. Warme lucht heeft immers een lagere densiteit en stijgt daardoor. De omgevingstemperatuur speelt daarin ook een belangrijke rol. Hoe kouder de lucht hogerop, hoe verder zo’n thermiekbel kan blijven stijgen in de lucht.

Het ontstaan van thermiekbellen (zweefvliegopleiding.nl)

Als de lucht vochtig genoeg is, treedt er op een bepaalde hoogte condensatie op (doordat de temperatuur afneemt met de hoogte en de lucht verzadigd raakt) en ontstaat er een stapelwolk boven zo’n thermiekbel. Vanaf dat moment kunnen we de thermiek effectief waarnemen. We spreken in dat geval ook wel van “natte thermiek”. Indien de luchtvochtigheid te laag ligt, krijgen stapelwolken geen kans om te ontstaan, ondanks dat de thermiekbellen wel aanwezig zijn. In zo’n gevallen spreken we ook wel van “droge thermiek” of “blauwe thermiek”.

Waarom is thermiek belangrijk om te zweefvliegen?

Nu rijst echter de vraag waarom thermiek zo belangrijk is. Rondom zo’n thermiekbel vinden turbulente luchtstromingen plaats. In de kern van zo’n bel krijg je sterke stijgende luchtbewegingen, aan de randen van zo’n bel daalt de lucht in de meeste gevallen weer.

Door specifiek zo’n luchtbel op te zoeken en in zo’n thermiekbel te gaan vliegen kan een zweefvliegtuig dus hoogte winnen door in de stijgende luchtstroom te vliegen. Anderzijds kan er ook gedaald worden door de dalende luchtstroom op te zoeken.

Het komt er dus op neer een thermiekbel te kunnen vinden om op die manier zo lang mogelijk in de lucht te kunnen blijven. Ervaren zweefvliegers kunnen de wolken “lezen” en meestal goed inschatten welke stapelwolken het meest geschikt zijn om onder te vliegen.

Thermiekbellen, stapelwolken en luchtstromingen (zweefopleidingen.nl)

Waarom vliegen zweefvliegtuigen overdag en bij veel zon?

De opwarming van de aardbodem en het ontstaan van thermiek wordt bepaald door heel wat factoren. De zonne-instraling is daarbij van uitermate belang. Daarom wordt er net vooral overdag gevlogen met zweefvliegtuigen, wanneer de zon de hoogste standen bereikt en de bodem dus maximaal kan opgewarmd worden en de thermiekomstandigheden optimaal zijn.

Daarnaast speelt de bewolking ook een belangrijke factor. Dagen met stapelwolken zijn ideaal (als deze minimaal boven 500m hoogte zitten), maar andere vormen van bewolking kunnen de zonne-instraling beperken en zo de thermiek verhinderen om te ontstaan. Daarom zal je zweefvliegtuigen bijna altijd zien op onbewolkte dagen met veel zon en hooguit wat stapelwolkjes.

Ook de wind is belangrijk. De meest optimale condities vinden we bij een zwakke wind. Als de wind te sterk is (matig of meer) wordt er meestal niet gevlogen. Bij weinig wind kan er ook worden gevlogen. Als het regent of onweert wordt er niet gevlogen.

Omwille van al deze redenen is het zeer belangrijk om de weersituatie goed op te volgen, zodat er enerzijds kan gekeken worden of het niet zal regenen of onweren en anderzijds om de condities voor thermiek en wind zo goed mogelijk te kunnen inschatten.

Warme luchtballonnen

Waarom vliegen luchtballonnen enkel ‘s ochtends en ‘s avonds?

Hoewel zweefvliegtuigen overdag te zien zijn, vliegen warme luchtballonnen in de meeste gevallen enkel ‘s avonds en ‘s ochtends. Dat komt omdat om te ballonvaren er net géén thermiek aanwezig mag zijn. Een warme luchtballon maakt gebruik van het principe “warme lucht stijgt”. De ballon is gevuld met warme lucht en wanneer de ballon warm genoeg is, wordt de opstijgende kracht groter dan de zwaartekracht en begint deze te stijgen.

Door de ballon verder te verwarmen met de gasbrander kan er gestegen worden, en door de ballon te laten afkoelen (door een tijdje niet te branden of warme lucht te laten ontsnappen) kan de ballon dalen. Op die manier kan een piloot een luchtballon dus gecontroleerd laten stijgen of dalen.

Wanneer een luchtballon overdag zou vliegen zou deze in een thermiekbel kunnen terecht komen en zou deze onbestuurbaar kunnen worden. In een thermiekbel zou zo’n ballon immers ongecontroleerd kunnen stijgen en dalen via de hierboven beschreven mechanismes.

Dat is uiteraard zeer gevaarlijk… Daarom wordt er enkel gevaren met een luchtballon op momenten dat de thermiek minimaal is of helemaal niet aanwezig is. In het voorjaar, de zomer en het najaar is dat ongeveer vanaf 1 à 2u voor zonsondergang en tot 1 of 2u na zonsopkomst. In de winterperiode kan er heel de dag gevaren worden, omdat er dan weinig of geen thermiek is door de lage stand van de zon.

Een warme luchtballon op een mooie zomerdag

Een andere reden waarom er niet in periodes met thermiek gevaren wordt is turbulentie. Thermiekbellen gaan ook gepaard met windverplaatsingen. Overdag, wanneer de convectieve menglaag vorm krijgt en de zon de aardbodem begint op te warmen, ontstaan er ook kleine windverplaatsingen die we kunnen waarnemen als windvlagen of windstoten.

‘s Ochtends en ‘s avonds zijn die windverplaatsingen door thermiek er niet en is het doorgaans veel rustiger. Ook dat is belangrijk om te kunnen ballonvaren. Een luchtballon drijft immers mee op de wind. Daardoor is ook de windkracht een zeer belangrijke factor om mee rekening te houden.

Wat zijn de optimale condities om te ballonvaren?

De weersomstandigheden zijn cruciaal om te kunnen ballonvaren. Er kan enkel worden gevaren met de ballon als alles meezit, om de veiligheid en de kwaliteit van de ballonvlucht te kunnen garanderen. Uiteraard wordt er niet gevaren wanneer het regent, of wanneer er buien of onweer in de buurt zitten. Niet alleen o.w.v. het feit dat de ballon dan nat zou worden, maar ook o.w.v. de potentiële risico’s die gepaard gaan met buien (turbulentie en stevige windstoten, blikseminslagen, beperkte zichtbaarheid…). Als algemene regel wordt er gesteld dat een bui minstens zo’n 15 kilometer uit de buurt moet zitten om veilig te kunnen vliegen. Voor een ballonvaart dient de atmosfeer dus voldoende stabiel te zijn.

Daarnaast speelt ook de bewolking een belangrijke factor. Er mag niet te veel lage bewolking aanwezig zijn en de basis van de wolken moet minstens boven 1000 voet (300m) liggen. Daarnaast moeten ook de zichtcondities optimaal zijn (minimum 1500m) en mag er dus geen sprake zijn van dichte nevel of mist. Nevel of grondmist laag bij de grond vormt geen probleem en kan zelfs prachtige taferelen opleveren tijdens een ochtendvlucht!

Ochtendvluchten zijn vaak prachtig, zeker als er nevel en grondmist voorkomen. Dichte nevel en mist zijn uit den boze.

Tot slot speelt ook de windsnelheid en windrichting een zeer belangrijke rol. Een luchtballon drijft voort op de wind en daarom mag de wind op lage hoogte niet te stevig zijn, zeker niet tijdens de landing. Algemeen gesproken mag de windsnelheid aan de grond niet hoger liggen dan 10 knopen (zo’n 18 km/u) en mag er ook geen vlagerigheid meer voorkomen met stevige windstoten. Ook onder de 500 voet (150m) mag de windsnelheid niet hoger liggen dan zo’n 25 knopen (of 45 km/u). Het belangrijkste element daarbij is dat de wind afneemt naar de landing toe, zodat rustig geland kan worden.

Ook de windrichting is soms cruciaal. Aangezien een luchtballon meedrijft op de wind is deze niet echt bestuurbaar. Als de windrichting op verschillende hoogtes varieert, kan het wel zijn dat er zo wat “gestuurd” kan worden, maar de wind bepaalt altijd waar de ballon naartoe vliegt.

Daarom is het van groot belang om te weten van waar de wind waait, om ook te kunnen bepalen waar er ergens zou geland worden. Her en der zijn er verboden gebieden waar men niet mag varen (bv. boven luchthavens of militair domein). Daarom is het van uitermate belang om een geschikte opstijglocatie te kunnen kiezen i.f.v. de verwachte windrichting, zodat er zeker niet boven deze gebieden gevlogen zal worden…

Weerbulletins voor de kleine luchtvaart

Aangezien de meteorologische situatie van uitermate belang is voor de (kleine) luchtvaart wordt voor de vlucht telkens gekeken naar de verwachte weersomstandigheden die worden omschreven in de weerbulletins voor de kleine luchtvaart. Meerdere keren per dag (en nacht) stellen luchtvaartmeteorologen (van bv. KNMI of Skeyes) zulke bulletins op, waarin een overzicht wordt gegeven van de weersomstandigheden.

In zulke bulletins wordt informatie verschaft over het te verwachten weer, significante weerverschijnselen die te verwachten zijn (buien, nevel of mist,…), bewolking, zichtbaarheden, windsnelheid en richting (aan de grond en op hoogte), thermiekcondities,… Alles wat piloten nodig hebben om te beslissen of men kan vliegen of niet. Daarnaast zijn er vandaag de dag voor piloten nog heel wat andere tools en weerapps beschikbaar, zodat men ook zelf al beter kan inschatten wat voor weer men mag verwachten.

Delen


Verder lezen

Alles bekijken