Verschillende soorten sneeuwsituaties
Met de grote sneeuwkansen in het nieuwe jaar is het interessant om de verschillende soorten sneeuwsituaties die er mogelijk zijn eens op een rijtje te zetten. Van de klassieke sneeuwbuien vanaf de Noordzee tot aan de exorbitante sneeuwstormen die zelfs in moderne tijden nog wel plaatsvinden. Een verkenning van wat zoal mogelijk is en een tijdreis door het verleden van de wereld van het witte goud.
- Volg NoodweerBenelux op X en Facebook
- Blijft up-to-date met livestreams en weervideoās op Facebook
Sneeuwbuien
In onstabiele polaire of arctische lucht met aanvoer vanaf de Noordzee vormen zich gemakkelijk buien. Aan de kust hebben die de grootste activiteit, maar dan bestaat ook de grootste dooikans – verder landinwaarts is dit andersom. Door stuwing tegen de heuvels van met name de Ardennen activeren ze juist weer. Vaak vormt zich een buienstraat langs de oostkust van Engeland, om dan de Noordzee over te steken en de Lage Landen aan te doen. Dikke pakken sneeuw in een smalle strook, ten zuidwesten hiervan in de slagschaduw van Engeland blijft het echter droog.
- Bij sneeuwval is een sneeuwschop handig. Bestel hem hier.

Dooifront
Eenmaal in de polaire lucht, bij afnemende kracht van de polaire stroming, kan de temperatuur onderuit gaan. Een vorstperiode of zelfs koudegolf is mogelijk, maar dan volgt vaak het onvermijdelijke dooifront.
Daarop kan het flink gaan sneeuwen, voordat de neerslag over gaat in ijsregen en regen. Aan de andere kant kan de neerslag ook tijdelijk overgaan van regen in sneeuw, als de temperatuur niet te hoog is en de intensiteit van de neerslag hoog genoeg.

Slepend sneeuwfront
Als een frontale storing evenwijdig aan de hoogtestroming komt te liggen en de temperatuur zowel aan de grond als in de bovenlucht voldoende laag is, kan bij aanlandige wind de regen landinwaarts overgaan in sneeuw. Een berucht voorbeeld is 25 november 2005. Plaatselijk in Nederland viel er ruim twintig centimeter natte, plakkerige sneeuw, met name op de Veluwe en in het oosten van het land.
- Strooizout voorkomt gladheid. Sla snel nog een voorraad in.

De meest intensieve neerslagzone lag west-oost over Nederland, in het westen viel er enkel regen, in het midden ging de regen aarzelend over in (natte) sneeuw. Soms sneeuwde het in de stevige wind heftig met grote vlokken. Kort daarna viel er echter weer enkel regen, terwijl je omhoog kijkend de vallende vlokken gewoon nog ontwaren. In het oosten sneeuwde het al in de vroege ochtend van 25 november en hield de sneeuwval de hele dag aan.

Polar low
In arctische lucht met bijzonder koude bovenluchten, zo rond -40 graden op 500 hPa, is het warme zeewater gemakkelijk de trigger voor de vorming van een kleinschalig thermisch lagedrukgebied: een polar low. Dat is een clustering van zware sneeuwbuien, die boven land gekomen soms zelfs gepaard gaat met onweer. Zo meldde Rotterdam op 2 januari 1979 onweer bij zware sneeuwval, op de passage van de kern van een polar low.
- Bij zware sneeuwval zijn sneeuwkettingen soms nodig. Koop ze hier.

Retrograad front
Bij een sterk geblokkeerde atmosfeer en een koudeput boven Midden-Europa trekt zachte lucht uit Zuidoost-Europa via een lange omweg naar het noordwesten en westen. Op de frontale overgang valt langdurig sneeuw, zoals op 21 januari 1940 en 17 februari 1969. In de laatste situatie accumleerde er in het zuidoosten van Nederland ongeveer twintig centimeter sneeuw.

Frontale golven met zuidelijke koers
In een zuidelijke westcirculatie kunnen kleine lagedrukgebieden van west naar oost over de Benelux trekken, waarbij ze aan de noordzijde in een relatief smalle zone veel sneeuw kunnen achterlaten. Noord ervan blijft het droog, zuid van de depressiekern dooit het korte of langere tijd. Voorbeelden zijn legio.
Ik neem 14 december 1981, toen een actief lagedrukgebied over het midden van Nederland naar het oosten trok. Utrecht beleefde aan de voorzijde een heuse sneeuwjacht. Na een paar uur dooi viel er bij een aantrekkende noordwesten wind opnieuw sneeuw. In het noorden van het land bleef het vriezen, in het zuiden kwam het tot vijf graden dooi.

Oost- of Noordzeesneeuw
In een koude noordoostelijke stroming ontstaan er boven het relatief warme water van de Oostzee of Noordzee sneeuwbuien. Vanaf de Oostzee trekken ze langzaam in betekenis afnemend naar het noorden van Nederland, soms bereiken ze ook het midden van het land.
Vooral de Waddeneilanden zijn kwetsbaar voor sneeuwbuien die zich in de Duitse Bocht vormen. Een extreem voorbeeld hiervan is januari 1987. Toen viel er daar in de oost- tot noordoosten wind tot een halve meter sneeuw, verwaaiend tot duinen van wel drie meter hoog.

Lokale onstabiliteit
In arctische lucht die boven onze omgeving tot stilstand komt kunnen spontaan lichte of zelfs matige sneeuwbuitjes ontstaan door convectie vanwege de instraling van de zon. Later in het winterseizoen is dit een issue. In februari 1986 was dat meermalen het geval, met lokale langzaam trekkende sneeuwbuitjes.
Heel lichte sneeuwval, die een dun poederlaagje van maximaal een paar centimeter achterliet dat binnen de kortste keren weer sublimeerde. De periode van 18-20 februari 1986 vormde qua sneeuwval het hoogtepunt in de verder extreem droge februarimaand.

Sneeuwstorm
Als vrieskou uit het noorden bij een stagnerend dooifront tegengas biedt tegen opdringende zachte oceaanlucht uit het zuiden of zuidwesten, kan de luchtdrukgradiƫnt sterk oplopen. De oost- tot noordoosten wind trekt aan tot krachtig of hard, soms nog sterker, en de sneeuw die er al ligt of valt gaat stuiven. Sneeuwduinen tot vijf meter of hoger zijn mogelijk op plaatsen waar de wind vrij spel heeft.
- Bij een sneeuwstorm vriest sneeuw ook aan. Gebruik dan deze ijskrabber.
Het meest beruchte ‘recente’ voorbeeld is de sneeuwstorm van 13-15 februari 1979. 7 februari 2021 kwam enigszins in de buurt. De meest heftige sneeuwstorm in de wat minder recente geschiedenis was die van januari 1867, die bijna heel Noordwest-Europa platlegde. Sneeuwstormen waren halverwege de negentiende eeuw sowieso bepaald geen zeldzaamheid.

Dooi voorafgegaan door een sneeuwstorm
De bovengenoemde voorbeelden van sneeuwsituaties bestaan in velerlei gradaties en mengvormen. Zo kan een simpele dooiaanval, ook al is hij succesvol, ontsporen in een heftige sneeuwstorm, een goed voorbeeld is begin januari 1856. Een recenter voorbeeld is de sneeuwstorm van eind januari, begin februari 1940.
Hij begon op de dag van de Elfstedentocht, 30 januari, en hield aan tot ver in de eerste week van de volgende maand. Zelfs het zuiden van Nederland werd erdoor getroffen. Aan het slot kreeg de dooi toch in het hele land de overhand.

